Home Stichting Almere Speciaal Nieuws Waarom passend lesmateriaal in het VSO meer vraagt dan een andere methode

Waarom passend lesmateriaal in het VSO meer vraagt dan een andere methode

20 februari 2026

De aanleiding: het nieuws en de verontwaardiging

De afgelopen dagen ging het los. Een nieuwsitem van de NOS over 16-jarigen in het voortgezet speciaal onderwijs die werken met lesmateriaal op basisschoolniveau. LinkedIn volgde snel. Verontwaardiging, verbazing, soms ook verontschuldigende reacties vanuit het veld. Begrijpelijk. Niemand gunt een puber het gevoel vast te zitten in “boekjes van groep 3”.

En toch is het verhaal groter dan dat.

Trots op vakmanschap in het VSO

Laat ik beginnen waar het moet beginnen: bij trots. Ik zie dagelijks professionals op VSO Aventurijn van SAS, die met enorme inzet en creativiteit onderwijs vormgeven aan een doelgroep die vraagt om maatwerk, geduld en specialistische kennis. We werken doelgericht vanuit leerlijnen, organiseren onderwijs in subgroepen, combineren thematisch en praktijkgericht leren en stemmen voortdurend af op wat een leerling nodig heeft.

We volgen geen methode omdat dat zo hoort. We volgen doelen die ertoe doen. Maar we doen dat grotendeels ondanks het beschikbare lesmateriaal, niet dankzij.

Werken met materiaal dat niet is ontworpen voor deze doelgroep

Voor taal en rekenen gebruiken we vooral methodes uit het primair onderwijs, aangevuld voor een enkeling met materiaal uit het praktijkonderwijs. Niet omdat onze leerlingen basisschoolleerlingen zijn, maar omdat er nauwelijks leeftijdsadequaat, doelgroepgericht alternatief is. Die methodes gaan vaak te snel, bieden meerdere oplossingsstrategieën tegelijk en hebben een visuele uitstraling die jonger is dan onze leerlingen.

En ja, dan staat er “groep 4” op een werkboek terwijl je vijftien bent.

Ik heb het effect daarvan niet wetenschappelijk onderzocht. Maar jongeren die weten dat leren voor hen moeilijk is, jongeren die steeds opnieuw ervaren dat ze het “nog niet kunnen”; of dat nu direct komt door die groepsaanduiding of door de bredere context: het raakt aan motivatie en zelfbeeld.

Dat verdient beter.

Thematisch en doelgericht onderwijs als antwoord

Juist omdat het bestaande materiaal tekortschiet, ontwerpen onze teams dagelijks onderwijs dat wel aansluit bij onze leerlingen. We werken thematisch, zodat leerstof meerdere keren op hetzelfde niveau terugkomt, maar steeds binnen een andere betekenisvolle context. Denk aan rijke leesteksten binnen thema’s die aansluiten bij de leefwereld van jongeren, praktische rekenopdrachten die direct toepasbaar zijn, en herhaling zonder dat het voelt als opnieuw hetzelfde boekje.

Werkbladen worden vereenvoudigd, doelen scherp gesteld en lessen bewust aangepast. We werken vanuit HUB-leerlijnen en stemmen het aanbod daarop af, wat betekent dat we de volgorde van bestaande methodes loslaten en doelgericht herstructureren. We kunnen daardoor geen methode “doorlopen” zoals die voor het primair onderwijs bedoeld is, maar werken wel precies aan datgene wat voor onze leerlingen essentieel is.

Leerroute 1 en 2: ontwikkelingsmateriaal dat niet aansluit

Wat geldt voor de methoden geldt ook voor ontwikkelingsmaterialen voor leerroute 1 en 2* in het VSO. Veel daarvan is ontworpen voor peuters en kleuters. Met drukke afbeeldingen, meerdere opdrachten tegelijk, weinig focus. Leerkrachten zijn voortdurend bezig om materiaal uit te kleden, onderdelen eruit te halen, één doel centraal te zetten, zelf voorbeelden te maken.

Alles om uiteindelijk toe te werken naar dat moment waarop een leerling kan zeggen: ik kan het zelf.

Die fase van zelfstandigheid is essentieel voor competentieontwikkeling. Maar juist onze leerlingen krijgen minder kansen, omdat het materiaal hen niet ondersteunt in leeftijdsadequate groei. Dat is geen incident, dat is structureel.

Werken in subgroepen: maatwerk per leerroute

In de klas wordt gewerkt met subgroepen, zodat leerlingen instructie krijgen op hun eigen niveau en tegelijkertijd van en met elkaar leren. De manier waarop dat gebeurt verschilt per leerroute: leerroute 1 en 2 werken veel ervaringsgericht, leerroute 3 en 4 meer vanuit het platte vlak.

Dat vraagt vakmanschap. En tijd.

Onderwijs ontwerpen kost meer dan een methode volgen

Thematisch onderwijs ontwerpen kost meer dan een methode openslaan. Het vraagt kennis van leerlijnen, inzicht in ontwikkelbehoeften en voortdurend afstemmen. Tegelijk stimuleert het denken in mogelijkheden. Veel leerkrachten ervaren juist voldoening, omdat ze creatief en professioneel onderwijs vormgeven, een groot verschil met methodegestuurd werken.

Om die kwaliteit te ondersteunen werken we met duidelijke onderleggers per vakgebied, waarin zichtbaar is welk materiaal past bij de verschillende leerroutes en leeftijden. We bouwen dit inmiddels al drie jaar systematisch op, met de afspraak dat meerdere lessen per week thematisch worden aangeboden om betekenisvol leren structureel te verankeren.

De kracht én kwetsbaarheid van het VSO

Wat hier zichtbaar wordt, is zowel de kracht van het VSO als de kwetsbaarheid ervan: passend onderwijs ontstaat door vakmanschap, maar tegen grenzen van tijd, werkdruk en systeembeperkingen aan.

Die spanning zie je inmiddels ook terug in de media. Deze week verscheen er in de lokale krant een artikel over onze school en het gebrek aan leeftijdsadequaat lesmateriaal in het VSO.
Het onderstreept wat veel scholen dagelijks ervaren: dat we werken met middelen die ooit voor andere doelgroepen zijn ontwikkeld en die we voortdurend moeten aanpassen om ze passend te maken.

Maar wie verder kijkt, ziet dat het echte verhaal daarachter ligt. Niet in onwil. Niet in gebrek aan professionaliteit. Maar in een sector die al jaren zelf oplossingen bouwt omdat structurele ontwikkeling uitblijft. Het gesprek zou daarom niet moeten blijven hangen bij het niveau van de boekjes, maar moeten gaan over hoe we het gespecialiseerd onderwijs daadwerkelijk ondersteunen in wat het vraagt: passend materiaal, specialistische expertise en ruimte voor maatwerk.

Vakmanschap onder druk door personeelstekorten

En dan is er nog iets wat in het publieke debat nauwelijks wordt benoemd.

Het VSO draait op vakmanschap. Dat vakmanschap is er. Onze mensen zijn capabel, betrokken en professioneel. Het beeld dat teams dit “niet zouden kunnen”, klopt niet.

Maar de context waarin zij werken is de afgelopen jaren fundamenteel veranderd.

De personeelstekorten in het onderwijs, zeker in Almere, raken het VSO extra hard. We vissen in dezelfde krappe vijver als het regulier onderwijs, met zwaardere casuïstiek en minder zichtbaarheid. Het wordt steeds lastiger om specifiek opgeleide specialisten aan te trekken.

Dat betekent niet dat de mensen die er wel staan ongeschikt zijn.
Het betekent wel dat expertise-opbouw onder druk staat.

Veel collega’s komen vanuit het primair onderwijs, met ervaring en routines die daar logisch en waardevol zijn. Maar onderwijs aan leerlingen met een verstandelijke beperking vraagt andere accenten in tempo, instructie, succescriteria en ontwikkelperspectief. Specialistische kennis groeit niet vanzelf; dat vraagt tijd, scholing, begeleiding en continuïteit.

Als die randvoorwaarden onder druk staan, raakt dat de sector als geheel.

Durven kijken voorbij groepsnormen

Wat ik breder zie, is dat we te veel denken in groepsnormen en meetbare vergelijkbaarheid. Zelfs voor reguliere leerlingen kun je daar vraagtekens bij zetten. Voor leerlingen in het speciaal onderwijs schuurt het echt.

Ambitie is noodzakelijk. Dat maakt ons onderwijs en geen zorg. Maar ambitie moet per domein en per leerling worden ingevuld. Een non-verbale leerling automatisch beoordelen op mondelinge taal omdat zijn algemene leerroute dat voorschrijft, voelt fundamenteel onlogisch. Net zoals je sociaal-emotionele ontwikkeling niet automatisch op hetzelfde niveau moet vastzetten als cognitieve doelen.

We moeten specialistischer durven kijken.
Wat groeit er wel?
Waar ligt talent?
Wat vraagt dit kind m.b.t. instructie, houding van de professional, organisatie?

De metafoor van bamboe

Een van onze specialisten vergelijkt lesgeven aan een VSO-ZML-leerling graag met de groei van bamboe. Onder de grond gebeurt lange tijd van alles wat je niet ziet. Het kost geduld en investering. Maar als het doorbreekt, staat het stevig. Ons systeem is echter ingericht op zichtbare, snelle, meetbare groei. Dat past niet altijd bij deze doelgroep.

Dus ja, het is triest dat er weinig specifieke methodes zijn voor VSO-ZML.

Maar het echte vraagstuk gaat verder.

Waar het werkelijk over gaat

Het gaat over leeftijdsadequaat, modulair en doelgroepgericht lesmateriaal.
Over structurele investering in specialistische kennis.
Over ruimte voor maatwerk binnen leerroutes.
Over arbeidsmarktbeleid dat het VSO aantrekkelijk en duurzaam maakt.
Over een systeem dat niet alleen meet wat zichtbaar is, maar ook waardeert wat ondergronds groeit.

“Boekjes van groep 3” zijn niet het hele probleem. Ze zijn een symptoom.

Van achterstanden naar kansen

Wat ik hoop dat Nederland ziet, is dit: in het gespecialiseerd onderwijs wordt dagelijks hard gewerkt om leerlingen perspectief te bieden. Met flexibiliteit, met doelgerichtheid, met betrokkenheid.

Stel je eens voor wat er mogelijk zou zijn als daar passend materiaal, gerichte scholing en beleidsruimte tegenover staan.

Dan praten we niet meer over achterstanden.
Dan praten we over kansen.

En die verdienen onze leerlingen.

Brigitta Gadella
Bestuurder Stichting Almere Speciaal

 

* Leerroute 1 en 2 in het vso richten zich op leerlingen met een matige tot ernstige verstandelijke beperking, ook in combinatie met medische of gedragsproblematiek. Het uitstroomprofiel voor beide routes is primair dagbesteding (Leerroute 1 is belevingsgerichte dagbesteding, Leerroute 2 is taakgerichte dagbesteding), waarbij de nadruk ligt op zelfredzaamheid en verzorging.